Als u een server in uw thuisnetwerk hebt, kunt u toestaan dat bepaalde typen inkomend verkeer de server bereiken. U wilt bijvoorbeeld een lokale webserver, FTP-server of gameserver zichtbaar en beschikbaar maken op internet.
De router kan inkomend verkeer met behulp van specifieke protocollen naar computers in uw lokale netwerk doorsturen. U kunt de servers voor de toepassingen opgeven en kunt tevens een standaard DMZ-server opgeven waarnaar de router alle andere inkomende protocollen kan doorsturen.
Een item voor het doorsturen van poortenbewerken:
- Start een internetbrowser vanaf een computer of draadloos apparaat dat is verbonden met het netwerk.
- Typehttp://www.routerlogin.net of http://www.routerlogin.com.
Er wordt een aanmeldingsscherm weergegeven. - Voer de gebruikersnaam en het wachtwoord van de router in.
De gebruikersnaam is admin. Het standaardwachtwoord is password. De gebruikersnaam en het wachtwoord zijn hoofdlettergevoelig.
Het basisscherm wordt weergegeven. - Selecteer Geavanceerd > Geavanceerde instellingen > Poort doorsturen/poort activeren.
- Laat het keuzerondje Port Forwarding geselecteerd als het servicetype.
- Selecteer in de tabel het keuzerondje naast de servicenaam.
- Klik op de knop Service bewerken .
Het scherm poorten - aangepaste services wordt weergegeven. - Geef wijzigingen op in een van de volgende instellingen:
- Servicenaam. Typ de servicenaam.
- Servicetype. Als u twijfelt, selecteert u TCP/UDP.
- Externe beginpoort: Als de toepassing één poort gebruikt, voert u hetzelfde poortnummer in het veld Externe eindpoort in. Als de toepassing een reeks poorten gebruikt, voert u het laatste poortnummer van het bereik in het veld Externe eindpoort in.
- Laat voor de interne poorten het selectievakje hetzelfde poortbereik gebruiken voor interne poort ingeschakeld.
- Intern IP-adres. Typ het IP-adres in het veld Intern IP-adres of selecteer het keuzerondje voor een verbonden apparaat dat in de tabel wordt weergegeven.
- Klik op de knop Toepassen.
Uw wijzigingen worden opgeslagen.